Sample Image

Burgemeester Patrick Janssens, Professor Baron Julien Klener,
Historicus De Heer Lieven Saerens “Soma”

In de nacht van 15 op 16 augustus 1942 vond in Antwerpen de eerste grote Jodenrazzia in België plaats. Het college besliste om op woensdag 15 augustus 2012, precies 70 jaar na deze dramatische gebeurtenis op het stadhuis een herdenkingsplechtigheid te organiseren.

zie toespraken hieronder


 

Sample Image

Toespraak Burgemeester Patrick Janssens

Dames en heren, we beleven vandaag een trieste verjaardag.  70 jaar geleden begonnen de nazi’s in West-Europa met de massale aanhouding van Joden met het oog op deportatie naar de uitroeiingskampen.  De eerste razzia in België vond plaats op 15 augustus 1942, hier in Antwerpen. In drie razzia’s werden 1200 Joodse mensen opgepakt en overgebracht naar de Dossinkazerne.  Meer dan 10 000 Joden uit Antwerpen werden gedeporteerd.  Historisch onderzoek (oa van Lieven Saerens die hierna zal spreken en van Professor Herman Van Goethem die zich wegens verblijf in het buitenland moest verontschuldigen) heeft onmiskenbaar aangetoond dat dit gebeurde met medewerking van het Antwerpse stadsbestuur en politie.  De Antwerpse politie was betrokken bij de aanhouding van meer dan 3000 Joden. 

Ik kan u allen – en zeker mijn collega’s van de gemeenteraad, de medewerkers van de stadsdiensten en de lokale politie- de lektuur van deze studies aanbevelen.  Zoals het gedegen historisch onderzoek past is het geen wit-zwart verhaal maar een genuanceerd en gedetailleerd verslag van wat zich afspeelde voor, tijdens en na de razzia’s die in Antwerpen werden georganiseerd.  Het is een verhaal van zwijgen, gehoorzamen, medewerking, tegenwerking – sabotage zelfs, dreiging, paraplu’s opentrekken, zich laten indekken, ontkennen…

Het is een verhaal van ideologie, van publieke opinie, tijdsgeest, opportunisme en normvervaging.

Het is een verhaal van gebrek aan verantwoordelijkheidszin, moed, daadkracht, moreel handelen. 

Het is geen verhaal waar men een goed gevoel aan overhoudt als burgemeester.  Uit de studie blijkt immers duidelijk dat er andere opties waren.  Opties die in andere steden met Brussel als duidelijkste voorbeeld werden gekozen.  Opties die in Antwerpen pas werden gezien toen ‘het eigen volk’ gedeporteerd werd en toen de kansen in de oorlog keerden.

Deze periode moet grondig bestudeerd en herinnerd worden door ons allemaal, nogmaals, zeker door mijn collega’s en mezelf omdat duidelijk wordt aangetoond hoe de normale mechanismen van de politiek en het overheidsbestuur zoals wij die kennen kunnen ontsporen onder extreme omstandigheden.

De stad Antwerpen en haar bestuur is nog lang niet klaar met deze zwarte bladzijde uit onze geschiedenis.

We weten vandaag met zekerheid dat het stadsbestuur en de politie in die dramatische dagen van de zomer van 1942 een actieve rol hebben gespeeld in de vervolging en arrestatie van de Antwerpse joden. Het gaat daarbij in de eerste plaats om de burgemeester, maar ook om de hoofdcommissaris, de commissaris van de zesde wijk, de politieinspecteurs die de patrouilles vergezelden.  Allen stuurden ze actief het uitvoerende korps met vaste hand.  En daarnaast was er ook de procureur des konings die toekeek en niets deed.

De mensen die nu verantwoordelijkheid dragen in het stadsbestuur en de politie hebben op zich niets te maken met de Tweede Wereldoorlog, die al afgelopen was toen zij nog moesten geboren worden. Toch zijn het de instellingen waarvoor wij nu verantwoordelijkheid dragen, die mee verantwoordelijk waren voor het lot van vele joodse Antwerpenaars in de Tweede Wereldoorlog. Toen we daarvoor, namens het college, onze excuses aanboden als burgemeester en verantwoordelijke voor het politiekorps had de politiek het daar even moeilijk mee.  U hebt dat samen met ons vastgesteld.  Dat op zich al toonde aan dat we nog veel stappen moeten zetten om in het reine te komen met onze eigen geschiedenis.  Niemand van ons zou accepteren dat een bedrijf dat jarenlang schadelijke producten op de markt bracht die de gezondheid en het milieu schaden zich zou verschuilen achter het feit dat de directie of het aandeelhoudersschap ondertussen gewijzigd is.  Het is dan ook noodzakelijk dat het stadsbestuur verdere stappen zet die de herinnering aan deze gruwelijke feiten levend houdt. 

 Het is onaanvaardbaar dat –in tegenstelling tot andere Europese steden- het Antwerpse stadsbestuur tot op vandaag geen enkele herdenkingsteken aan deze geschiedenis heeft geplaatst.  Het monument ter herdenking van de Shoah werd immers door het Forum der Joodse organisaties geplaatst.  

 Het wordt tijd dat we een stap verder zetten in de collectieve verwerking van dat duistere verleden.  Daarom zullen we als stadsbestuur in het stadhuis een gedenkplaat aanbrengen waarvan we de tekst vandaag voorstellen.  Daarnaast willen we een monument oprichten dat alle namen van de gedeporteerden bevat. 

De opdracht hiervoor is aan de commissie Beeld in de Stad overgemaakt.  Die commissie zal een voorstel van één of meerdere kunstenaars en mogelijke locaties in de stad aan het college overmaken.  Ik hoop u binnen afzienbare tijd allen terug te zien bij de onthulling van dat monument.

Graag wil ik nog een aantal mensen bedanken vooraleer te besluiten.

Eerst en vooral wil ik ons politiekorps bedanken dat vandaag gelukkig helemaal anders werkt dan 70 jaar geleden.  Elke dag zetten we ons met overtuiging in om de veiligheid te garanderen van de Antwerpse joden, en niet in het minst van de joodse kinderen. Ik wil onze politiemensen danken en feliciteren voor het knappe werk dat zij dagelijks leveren in een stad die nog veel diverser is geworden dan voor en tijdens de tweede wereldoorlog.

 Tegelijk wil ik de joodse Antwerpenaars bedanken voor de manier waarop zij ook vandaag – zoals ook in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog – een belangrijke bijdrage leveren aan de vele facetten van het leven van en in onze stad.  Verenigingen als het Forum van Joodse Organisaties waken er op hun beurt over dat de joodse gemeenschap van Antwerpen niet in het isolement terechtkomt, maar op haar manier en met haar eigen inbreng deelneemt aan het samenleven.

 Ik wil graag  professor Van Goethem, historicus Lieven Saerens en Julien Klener danken voor hun onderzoek en expertise terzake en hun medewerking aan deze herdenking.

Dank ook aan de schepen van monumentenzorg en de commissie Beeld in de Stad die het idee van een monument warm hebben ontvangen en aan de dienst protocol van de stad om één en ander met bekwame spoed te organiseren.

 U allen bent bedankt voor uw aanwezigheid.


 

Sample ImageToespraak Professor Baron Julien Klener

 

Dames en Heren,

 

Razzia is een verdrietig-walgelijk woord, de razzia als politionele drijfjacht op onschuldigen is het afstotelijke dat wij vanavond memoreren. Wie herdenkt, staat stil en ziet om. Herdenken is even de gang van alledag onderbreken, om gezamenlijke gebeurtenissen of personen uit het verleden in de herinnering terug te roepen. Zo werd in augustus 1942, op de 15de dag, een sjabbat,  in deze stad aan de Schelde, de eerste nationale open jacht, de geplande strooptocht op joodse mensen georganiseerd. Dat herdenken wij, daar staan wij vanavond even bij stil, mede dankzij het initiatief en de inzet van Antwerpse stadsbestuur.   Beter laat, dan pedagogisch nooit.

 

Bij het nadenken over mijn geproken bijdrage dacht ik aan de 28-jarige Etty Hillesum, vergast in Auschwitz op ca. 30 november 1943, die in haar dagboek schreef : “Dantes hel is hierbij vergeleken een lichtzinnige operette”. Ik dacht eveneens aan Abel Herzberg, en zijn novelle Drie Rode Rozen. Ik citeer ongeveer : “Hij, Salomon Zeitschek, behoorde tot een bevolkingsgroep, afgeschreven in de balans van het bestaan. Je had niet eens verdriet om wat je meemaakte, je had pas verdriet om de mensheid, waartoe je ondanks alles, toch behoorde”.

 

Verdriet om de mensheid waartoe je ondanks alles toch behoort. Het kan wellicht niet mooier worden geformuleerd, en hartverscheurender ook niet.

 

 De mensen die wij, ondanks alles, toch zijn, die mensheid   waarvan wij allen, meen ik, deel uitmaken. Wij zijn inderdaad, die mensen die te dikwijls moeten leven in een beklemmende wereld, waarin wij, ondanks alles, zinvol moeten zijn. Wij zijn mensen die, naar het woord van Elie Wiesel, ‘must invest hope in a world that offers none’. Wij moeten hoop investeren in een wereld, die schijnbaar weinig hoop te bieden heeft.

 

Hoe doen wij dat ? Mijn eerste antwoord is : “‘k Weet het al lang niet meer”. Mijn tweede antwoord is : “Bij dat eerste antwoord mogen wij ons niet, nooit neerleggen”. In  de 19de eeuw reeds schreef de Duitse rabbijn Samson ben Rafaël Hirsch, vrij vertaald : “Er is iets in ons, dat ons in alle wanhoop toeroept : Je mag niet versagen. Niemand mag dat, onze traditie laat het niet toe, en nog veel minder mag een mens de hoop op een menselijke zelfoverstijging ten goede, fnuiken in een ander.”

 

Niet versagen, niet opgeven is bijgevolg de logische boodschap, want men kan bovendien bedenken dat wanhopen aan de wereld in wezen overeenkomt met de houding van het zwartweerzinwekkende  nationaal-socialisme.  Ook het nazisme ontstond uit het gevoel dat de wereld inherent waardeloos is, dat er van de mens niets goeds te verwachten valt en dat  staalharde macht, kadaverdiscipline en bloeddronken sluwheid de enige geldende waarden zijn. Dat geloven en nalopen,  appelleert zoals tot in den dieptreure is bewezen, aan  de meest dierlijkprimitieve  aspecten van de  mens. Wie zelfs in een globaal dorp, waar verhoopte lentes ijselijkvlug verwinteren, tot een dergelijk wanhopig nihilistisch standpunt wordt gebracht, bevestigt paradoxaal genoeg, diep in zijn hart een impliciete stelling van het nazisme.

 

Om na de Sjoa nog geloof en hoop in de mens te dragen was en is niet gemakkelijk, maar wie consekwent wilde zijn in zijn anti-gruwel houding, aanvaardt de uitdaging en moet ze mentaal en effectief uitdragen. De betreurde joodse filosoof Emil Fackenheim, een Hegel-specialist, worstelend met het pathologisch heidendom van de Sjoa-terreur, voegde zijn eigen bijdrage tot het gedachtengoed van de naoorloge joodse generaties samen in een oproep aan de 613  geboden en verboden, die het jodendom traditioneel kent, het 614de toe te voegen : “Gij zult overleven” want de authentieke jood van vandaag en morgen mag geen postume overwinning laten aan het absolute kwaad.

 

Natuurlijk zijn er die vragen. Hoe moeten wij leven en handelen om  genocidaire wandaden te voorkomen ? Was de judeociede een spontane eruptie van geweld door een hordemeute criminelen of hebben de nazi’s grotendeels gehandeld vanuit een diepgewortelde, tijd-overkoepelende Europese traditie?  Een onderhuidse ziekte, die bij de minste socio-economische inzinking weer zichtbaar, hoorbaar, voelbaar en leesbaar wordt en is.

 

Mag eraan herinnerd worden hoe de vernietigende doctrine van het nazisme niet alleen het werk was van perverse sadisten of van ongeneeslijke jodenhaters, de slachting werd ook uitgevoerd door keurige ambtenaren en salonintellectueeltjes, al dan niet opgejut en vergiftigd door eigentijse media, want haat lijkt besmettelijker dan liefde.

 

Er bestaan inderdaad goede en slechte samenzweringen, ook in die vermaledijde tijd toen ik als joods kind, en dat zonder enig masochistisch gekokketeer, ten dode was opgeschreven en de mijnen de ster van sterven droegen. Dat waren jaren van duisternis waarin keer op keer bondgenootschappen werden gesloten door mensen die de grootste risico’s durven te nemen teneinde levens te redden. Het is ontegenzeggelijk waar dat het hierbij ging om een minderheid; dat ondertussen, een meer bevolkte groep, officiële en privé-handlangers ideologisch en opportunistisch samenzwoer in het onterend boosaardige, terwijl de meerderheid op de stoep bleef staan, waar de vervolgden overheen werden gejaagd.

 

Een joodse legende spreekt over zesendertig rechtvaardigen, zelf niet bewust van het bijzondere van hun daden, die in elke generatie de wereld redden. Het zijn verhalen van mannen en vrouwen, ieder op hun eigen plaats, die het voldemocratisch fatsoen hebben gehad om zorg voor de andere te laten prevaleren, boven eigen veiligheid en koele zelfzucht. Deze verhalen blijven wel degelijk  een hoog opvoedkundig gehalte behouden. Zij illustreren hoe de mens nimmer tot machteloosheid of politiek-correcte dwingerij is veroordeeld, ook niet oog in oog met geavanceerde moordmachines of met manifest ethisch verzuim.

 

Natuurlijk klopt het dat een van de deprimerende lessen te trekken uit het verleden kan zijn, dat de geschiedenis ons in de grond niets leert. Dat staten, ideologieën, mensen dus, hun hang naar brutaliteit nooit ten volle kunnen of willen inperken. En dan zijn er ook, de doemdenkers met hun protserige valse gewichtigheid en de betweterige tapkastfilosofen die ons bestoken met de gedachte dat herinneringseducatie aanleiding geeft tot niks!

 

 Maar niets doen in deze, mag en kan, zelfs tegen beter weten in, nooit een morele optie zijn.

 

Dames en Heren, het is onwaar dat de tijd een voorbijvloeiende stroom is. De tijd staat stil in ons hoofd en wij reizen van herinnering tot herinnering langs de ingewikkelde wegen van de emotionele logica. Verleden en heden, mede daardoor, liggen in dezelfde gedachtelijn.

 

Gisteren en vandaag zijn stukken van hetzelfde hersenbeeld. Een metapolitieke gedenkplaat als deze, en wie weet, dankzij de stedelijke commissie Beeld in de Stad en de onverdroten inzet van het Forum der Joodse Organisaties, een toekomstig naammonument ter nagedachtenis van de Antwerps-joodse weggevoerden, belichten bijgevolg, om noodlottige recidive te vermijden, voor vandaag het onheil van gisteren in dienst van een nooit-meer-morgen. Waarschuwings- en memorlichten, voor het geval er ooit en opnieuw tijden aanbreken, waarin de onmeedogende duisternissen ons pogen te grijpen, want ik herhaal het, haat lijkt besmettelijker dan liefde.

 

Sample ImageToespraak Historicus De Heer Lieven Saerens “soma” (www.cegesoma.be)

De Antwerpse Jodenrazzia’s van augustus 1942

Minister Turtelboom,

Minister Monica De Coninck,

Mijnheer de burgemeester en schepenen,

Prof. Dr. Julien baron Klener, voorzitter van het Centraal Israëlitisch Consistorie van België,

Mevrouw Kouky Frohman, voorzitter van het Forum der Joodse Organisaties,

Beste genodigden

De arrestatie van Joden was een onderdeel van de bredere problematiek over de handhaving van de openbare orde, en meer in het bijzonder de aanhouding van inwoners van België op bevel van de bezetter. Tijdens de oorlog lag de verantwoordelijkheid lange tijd op lokaal niveau. Het was op dat niveau dat de beleidsbeslissingen moesten worden genomen, aangezien hogere, nationale instanties lange tijd hun verantwoordelijkheid niet opnamen. Het gevolg daarvan was dat we ook inzake de Jodenvervolging lokale verschillen zien. Voor de Antwerpse Joden was de houding van de lokale autoriteiten dramatisch. Qua aantal gedeporteerden was er een significant verschil tussen Antwerpen en de rest van het land, meer in het bijzonder in vergelijking met Brussel, Luik en Charleroi.

 1. De Antwerpse protagonisten

 Wanneer we het hebben over de medewerking van de Antwerpse autoriteiten zijn er vanuit politioneel oogpunt drie hoofdprotagonisten:

 –        de burgemeester als administratief hoofd van de politie

–        de procureur des Konings als gerechtelijk hoofd van de politie; en

–        de hoofdcommissaris van politie

 Alle drie waren katholieken.

 Tijdens de Jodenrazzia’s in de zomer van ’42 was Leon Delwaide Antwerps burgemeester, advocaat en als katholiek politicus een boegbeeld van de Vlaamsgezinde vleugel van de katholieke partij. Reeds voor de oorlog had hij zich uitgesproken voor de Concentratiebeweging, een beweging die voorstander was van een samenwerking tussen katholieken en Nieuwe Orde-gezinden. En reeds toen hield hij er xenofobe denkbeelden op na.

Antwerps procureur-des Konings was Edward Baers. Zijn benoeming tijdens de bezetting was in feite door het collaborerende VNV gedirigeerd.

Hoofdcommissaris was Jozef De Potter. Hij gaf ook les aan de politieschool en wist dus perfect wat een politieagent mocht doen en niet mocht doen, ook als het bevel van de bezettende overheid kwam.

Een van de belangrijkste hervormingen tijdens de bezetting was de oprichting van Groot-Antwerpen begin ‘42. Tot dan werd Antwerpen door vertegenwoordigers van de drie traditionele partijen bestuurd, zowel katholieken als liberalen en socialisten. Zij bleven ook na de vorming van Groot-Antwerpen aan het bewind, maar kregen nu eveneens het gezelschap van Nieuwe Orde-gezinden. De oprichting van Groot Antwerpen betekende dat Antwerps burgemeester Delwaide voortaan als enige de leiding over de politie van geheel de Antwerpse agglomeratie had. Bovendien konden de politiediensten van de respectieve gemeenten voortaan over het gehele grondgebied van Groot-Antwerpen optreden. Dat zou zijn repercussies  hebben voor de inzet van de Antwerpse politie bij Jodenrazzia’s. De Antwerpse burgemeester had voortaan ongeveer 1.650 politieagenten onder zich.

2. De razzia’s

In augustus ‘42 verleende de Antwerpse politie ‘en bloc’ tot driemaal toe haar medewerking aan Jodenrazzia’s, waarbij Joden dus collectief werden opgepakt. Met ’en bloc’ bedoel ik uiteraard niet dat alle 1.650 politieagenten werden ingezet. Wel dat de agenten afkomstig waren uit alle gemeenten die deel uitmaakten van Groot-Antwerpen en dat voor Antwerpen-stad de agenten afkomstig waren uit alle wijken. In totaal werd bij die drie razzia’s 10% van het Antwerps politiekorps ingezet.

Het ging hier om wederrechterlijke en willekeurige aanhoudingen: mannen, vrouwen en kinderen, zieken en bejaarden werden zonder onderscheid aangehouden. Naar internationaal recht is dat een schending de Conventie van Den Haag.

Het is belangrijk er op te wijzen dat de medewerking van de Antwerpse politie aan de razzia’s telkens op vraag van de Sipo-SD (in de volksmond de Gestapo) gebeurde. De Antwerpse hoofdcommissaris en andere beleidsverantwoordelijken legden de Duitsers echter geen strobreed in de weg. Bij alle drie de razzia’s gaf de hoofdcommissaris vooraf duidelijke instructies hoe manschappen uit zijn korps konden worden ingezet. En bij alle drie de razzia’s reageerden noch de Procureur des Konings noch de burgemeester, alhoewel ze van de razzia’s op de hoogte werden gebracht, via PV’s en Bestuurlijke Akten. Het is ook duidelijk dat de hoofdcommissaris niet op eigen houtje handelde, maar zich ingedekt voelde.

De Antwerpse politiemedewerking aan de razzia’s leek haast vanzelfsprekend. Ze lag in het verlengde van wat er intussen reeds was geschied. Bij het Antwerps politieoptreden past de term ‘accumulatieve agressie. In juni ‘42 bijvoorbeeld had de politie opeisingsformulieren voor de verplichte tewerkstelling van Joodse mannen aan de Atlantikwall in Frankrijk uitgereikt. Vervolgens werden de ‘Atlantikwall-Joden’ onder politiebegeleiding op de trein gezet. In totaal ging het om 1.526 Joden.

– Razzia van 15 augustus ‘42

Op 15 augustus nam de Antwerpse politie voor het eerst aan een Jodenrazzia deel. Om 12u ’s middags werden de Dagelijkse Orders van het Hoofdcommissariaat verspreid. Onder de rubriek Varia gaf de hoofdcommissaris volgend order: “Heden avond dient op bevel vanaf 20u30 der Sicherheitspolizei [Sipo] in de 5de, 6de en 7de wijk een bijzondere schikking voorhanden te zijn, om bepaalde opdrachten uit te voeren”. Over welke “opdrachten” het ging werd niet gepreciseerd. Wel wees de hoofdcommissaris er zijn politieagenten op “dat de aangeduide agenten moeten geleverd worden”.

Het leek als het ware een ‘oefening’. Het oppakken van Joden was vooralsnog hoofdzakelijk het werk van de Duitsers, de Sipo-SD en Feldgendarmen. De politiemedewerking bleef grotendeels ‘beperkt’ tot het afgrendelen van de straten en het (mede)begeleiden van de Joden naar vrachtwagens. Een eerste af te sperren zone was die rond de Van Immerseel-, Lange Kievit-, Provincie en Somersstraat. Uit die keuze bleek dat de Duitsers perfect op de hoogte waren van de Antwerpse situatie. Het ging precies om die straten waar het meest aantal Joden woonden. Het was ook een zeer uitgekiende omsingeling. De omsingelde Joden zaten volkomen in de val. Na deze operatie werd een nieuwe zone afgezet, ditmaal de wat verder gelegen Van der Meydenstraat in Borgerhout, eveneens een uiterst druk door Joden bewoonde straat.  

Daarnaast was er ook een rechtstreekse medewerking van de Antwerpse politie. Een aantal Antwerpse politieagenten moest eigenhandig 152 Joden oppakken die niet voldaan hadden aan het Arbeitseinsatzbefehl voor de verplichte tewerkstelling (in het Oosten).

In totaal werden een 800-tal Joden opgepakt.

– Razzia van 27 augustus ‘42

De medewerking van de Antwerpse politie ging verder dan bij de eerste razzia. Het dienstorder van de hoofdcommissaris was nu wel zéér duidelijk. Het droeg de hoofding Wegvoering van Joden (…) Zeer dringend. 

Nu moesten alle opgetrommelde Antwerpse politieagenten samen met de Sipo-SD en Feldgendarmen eigenhandig Joden aanhouden. Ook zouden aan de razzia leden van de Belgische Rijkswacht en Vlaamse SS’ers hebben meegewerkt. Door obstructie van een aantal politieagenten werd de razzia voortijdig afgebroken. Enkele agenten hadden Joden van de nakende razzia verwittigd. Het ging hier echter niet om een louter belangeloze verzetsdaad. Volgens politieverslagen hadden de agenten het gedaan “mits aanvaarding van geschenken”.

– Razzia van 28 augustus ‘42

Een dag later kwam het Duitse bevel dat de Antwerpse politie volledig op eigen houtje een Jodenrazzia moest houden. Het werd door de Sipo-SD voorgesteld als straf voor het mislukken van de voorgaande razzia en er werd met opsluiting in Breendonk gedreigd. Tegen zogenaamde ‘onwillige Joden’ moest geweld worden gebruikt. Ook nu gaf de hoofdcommissaris onmiddellijk zijn goedkeuring.

De Antwerpse politie voerde het bevel tot in de finesses uit. De Joden werden letterlijk uit hun huis gesleept, zieken en gewonden incluis. Meer nog, die nacht pakte de Antwerpse politie meer Joden op dan het door de Duitsers vooropgestelde quotum van 1.000. Enkele politiefunctionarissen lieten zich wel uiterst gewelddadig kennen. Enkele andere politieagenten probeerden zich zoveel mogelijk aan de razzia te onttrekken, waren beschaamd en weigerden deuren in te stampen.

3. De impact van de politiemedewerking aan de Jodenrazzia’s

In totaal was de Antwerpse politie bij die drie razzia’s bij meer dan 2.000 aanhoudingen van Joden betrokken. Uiteraard had ze daarmee niet het leeuwenaandeel in de arrestatie van Joden. De meeste Antwerpse Joden werden later in individuele acties van de Sipo-SD en Vlaamse SS’ers aangehouden. Het belang van de medewerking van de Antwerpse politie en stedelijke autoriteiten ligt echter ook nog op een ander vlak. Door hun gedrag miste de lokale bevolking een ‘voorbeeldfunctie’. Daardoor was de Antwerpse bevolking minder bereid om Joden te helpen en leek er integendeel sprake van een hogere verklikkingsgraad. Dit is een even essentiële factor in de verklaring voor het zeer hoge Antwerpse deportatiecijfer.

En dan is er nog het aspect van de Joden die verplicht in Noord-Frankrijk aan de Atlantikwall moesten gaan werken. Als vermeld verleende de Antwerpse politie aan die wegvoering evenzeer haar medewerking. De deportatie van de ‘Atlantikwall-Joden’ stond op zich los van de Endlösung. Toch is ze er tegelijk niet volledig van te scheiden. Door het feit dat hun echtgenoten in Noord-Frankrijk verplicht tewerkgesteld waren, stonden talrijke Joodse moeders er tijdens de razzia’s met hun kroost letterlijk moederziel alleen voor. Meer nog gezinnen waarvan de echtgenoot afwezig was, waren minder snel bereid om onder te duiken, of gewoon te verhuizen. Daardoor waren dergelijke gezinnen een gemakkelijke prooi, wat zich vertaalde in een zeer hoog deportatiepercentage, nog hoger dan het lokale Antwerpse gemiddelde.

Bovendien werden in de herfst van 1942 minstens 1.245 Antwerpse ‘Atlantikwall-Joden’ via Mechelen en minstens 26 via het Franse Drancy naar Auschwitz gedeporteerd. M.a.w. de Antwerpse politie was rechtstreeks of onrechtstreeks verantwoordelijk voor de deportatie van veel meer dan de vermelde 2.000 Joden.

4. De helpers: “ware vrienden in de nood”

Gezien de ‘Antwerpse specificiteit’ was daar nog meer moed voor nodig dan in de rest van het land en verdienen die Antwerpse ‘helpers’ des te meer respect. ‘Helpers’ vond men onder alle bevolkingslagen. Ook enkele politieagenten en leden van het parket waren bij hulp aan Joden betrokken. Onder hen de in Breendonk doodgemartelde substituut van de procureur des Konings Dirk Sevens, telg uit een anti-collaboratiegezind flamingantisch milieu. Een bijzondere rol speelden tevens medewerkers van de Antwerpse stedelijke ravitailleringsdiensten.

In Antwerpen bestonden drie onafhankelijk opererende groepen van het Joods Verdedigingscomité, opgericht binnen het Onafhankelijkheidsfront. Alle drie stonden onder Joodse leiding, maar al hun medewerkers waren niet-Joodse Antwerpenaren. Zo was er o.m. de groep rond de Antwerps-Joodse historicus Leopold Flam, die vooral op een aantal vrouwelijke, katholieke medewerkers kon steunen. Tevens gaf Flam het Nederlandstalig verzetsblad van het Joods Verdedigingscomité uit, waar verscheidene Antwerpse leraars uit het officieel onderwijs waren bij betrokken. Na zijn arrestatie werd hij opgevolgd door de socialist Adolf Molter, de enige schepen die na de deelname van de Antwerpse politie aan de Jodenrazzia’s uit “morele overwegingen” uit het college ontslag nam. Na de oorlog werd ook de katholieke schepen en burgemeester van Borgerhout, Lucien Van Beveren, door de Joodse gemeenschap als helper gehuldigd.

Sommige Joden werden door kennissen, collega’s of via klasgenoten geholpen. Anderen via zakenrelaties, zoals de modernistische architect Jules Wellner. Hij werd geholpen door zijn advocaat, de Franstalige katholiek Pierre Misselyn, die bereid was om de drie kinderen Wellner onderdak te bieden. Zelf had het echtpaar Misseleyn al de zorg over hun 8 eigen kinderen. De kinderen Wellner overleefden de oorlog. Later zou de oudste zoon Marcel met de jongste dochter van zijn onderduikouders huwen. Met deze anekdote wil ik graag eindigen.

Ik dank u voor uw aandacht.

Lieven Saerens